ECLI:NL:RBDHA:2019:10139
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening urgentieverklaring huisvesting
Verzoekster heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring voor huisvesting ingediend bij het college van Burgemeester en Wethouders van Den Haag, welke op 7 augustus 2019 is afgewezen. Tegen dit besluit heeft zij bezwaar gemaakt en vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft op 30 september 2019 het verzoek behandeld en overwogen dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4:5, onder b en c, van de Huisvestingsverordening gemeente Den Haag 2019. Verzoekster stelde dat zij met een baby op straat was gezet en bedreigd werd, en dat de huidige opvang via het Centraal Coördinatiepunt (CCP) onvoldoende is, maar dit werd niet voldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat er geen urgent huisvestingsprobleem is omdat verzoekster opvang heeft in een hotelkamer via het CCP en zij vanuit deze situatie naar andere woonruimte kan zoeken. Haar financiële situatie (bijstandsuitkering) is op zichzelf onvoldoende om de urgentie te rechtvaardigen. De hardheidsclausule en de psychische toestand van verzoekster werden meegewogen, maar konden het oordeel niet veranderen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en de uitspraak is in het openbaar gedaan. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen.