Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:10204

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 oktober 2019
Publicatiedatum
1 oktober 2019
Zaaknummer
FT RK 19/1215
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 4 lid 1 FaillissementswetArt. 611e Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring op grond van verbeurde dwangsommen

De Staat der Nederlanden heeft een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen [X] B.V., stellende dat deze onderneming is opgehouden te betalen. De vordering van de Staat betreft een bedrag van € 6.449,80, gebaseerd op verbeurde dwangsommen, rente en kosten. Tijdens de zitting is door de Staat aangevoerd dat het mogelijk om een boete gaat in plaats van een dwangsom, en is verzocht om aanhouding om het verzoek te wijzigen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat een wijziging schriftelijk en voorafgaand aan de zitting had moeten worden ingediend en de procedure spoedig moet verlopen.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek uitsluitend gebaseerd is op verbeurde dwangsommen. Volgens vaste jurisprudentie kan een faillissementsaanvraag niet uitsluitend op dergelijke vorderingen worden gebaseerd. Het vereiste van een redelijk belang bij faillietverklaring ontbreekt daarom. Gezien deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af.

De uitspraak is gedaan door de rechtbank Den Haag op 1 oktober 2019. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld door degene die is verschenen en daartoe gerechtigd is, via een advocaat bij het gerechtshof te Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van [X] B.V. wordt afgewezen omdat het uitsluitend gebaseerd is op verbeurde dwangsommen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer
rekestnummer: C/09/579353 / FT RK 19/1215
uitspraakdatum: 1 oktober 2019
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID; AGENTSCHAP SZW),
verzoekster,
advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van:
[X] B.V.,
verweerster.
Verzoekster heeft het faillissement van verweerster aangevraagd stellende dat verweerster verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen nu zij zowel de vordering van verzoekster als een andere vordering onbetaald laat. In het verzoekschrift stelt de Staat opeisbaar van [X] te vorderen te hebben een bedrag van € 6.449,80 “op grond van een dwangsom, rente en kosten”.
Het verzoekschrift is op 24 september 2019 behandeld in raadkamer. Verweerster is daarbij niet verschenen, ondanks dat zij daartoe bij deurwaardersexploot is opgeroepen. Namens verweerster is mr. Vroegindeweij voornoemd verschenen en gehoord.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO),
bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
De Staat heeft ter terechtzitting – na te zijn gewezen op het als productie 2 overgelegde dwangbevel d.d. 11 september 2018 – aangevoerd dat haar vordering (mogelijk) niet is gebaseerd op verbeurde dwangsommen, maar op een door [X] verschuldigde boete. Namens de Staat is (daarom) ter terechtzitting om een aanhouding verzocht teneinde haar verzoek te wijzigen. De rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd. Indien de Staat haar verzoek wenste te wijzigen, dan had zij dit schriftelijk ter terechtzitting moeten doen. De verzochte aanhouding tot het in de gelegenheid stellen om de grondslag van het verzoek (eventueel) te wijzigen, ligt bovendien niet in de lijn van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Fw Pro, inhoudende dat het – oorspronkelijk ingediende – verzoek met meeste spoed in raadkamer wordt behandeld. Dit in verband met de op een snelle berechting en beslissing gerichte procesgang ter zake van een faillissementsaanvraag.
De rechtbank dient het er derhalve voor te houden dat de vorderingen waarop de Staat het verzoek baseert, enkel bestaan uit, dan wel voortvloeien uit verbeurde dwangsommen. Het vereiste dat de aanvrager van een faillissement bij de faillietverklaring een redelijk belang heeft, brengt in verband met het bepaalde in artikel 611e Rv. mee dat een faillissementsaanvraag niet enkel kan worden gebaseerd op een vordering ter zake van verbeurde dwangsommen (Hoge Raad 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2146).
Het vorenstaande leidt er toe dat het verzoek zal worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring van [X] B.V., voornoemd.
Gegeven door mr. R. Cats en uitgesproken op 1 oktober 2019, in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.