ECLI:NL:RBDHA:2019:10224
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht als Unieburger voor Ghanese vader met Nederlands kind
Eiser, een Ghanese nationaliteit dragende vader, verzocht om een verblijfsdocument als Unieburger in Nederland, stellende dat hij op grond van het arrest Chavez-Vilchez recht ontleent aan het verblijfsrecht van zijn Nederlandse zoon. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat eiser rechtmatig verblijft in Spanje en het weigeren van verblijf in Nederland niet leidt tot gedwongen vertrek uit de EU voor de zoon.
Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende rekening hield met de bijzondere gezinssituatie van zijn zoon, die een halfzus in Nederland heeft, en dat het gezinsleven beschermd moet worden. Verweerder stelde dat het afgeleide verblijfsrecht van artikel 20 VWEU Pro niet van toepassing is omdat er geen sprake is van gedwongen vertrek uit de EU en dat het beroep op het Handvest en het EVRM niet leidt tot een verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelde dat het arrest Dereci duidelijk maakt dat het afgeleide verblijfsrecht alleen geldt bij gedwongen vertrek van de Unieburger uit de EU, wat hier niet aan de orde is. De wens om het gezin in Nederland te verenigen is onvoldoende grond voor een verblijfsrecht. Ook het beroep op het Handvest en artikel 8 EVRM Pro faalt omdat er geen sprake is van tenuitvoerlegging van Unierecht.
De rechtbank zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen en oordeelde dat het bezwaar terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een verblijfsdocument als Unieburger wordt ongegrond verklaard.