ECLI:NL:RBDHA:2019:10899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen terugvordering onverschuldigd betaalde AOW-uitkering
Eiser werd door de Sociale Verzekeringsbank geconfronteerd met een terugvordering van €21.266,06 aan onverschuldigd betaalde AOW-uitkering en een boete van €934,29. Na bezwaar werd de boete geschorst, maar de terugvordering gehandhaafd. Eiser stelde dat hij te goeder trouw was en dat zijn financiële en gezondheidsomstandigheden aanleiding gaven om de terugvordering te matigen of te laten vervallen.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn gezamenlijke huishouding niet had gemeld, wat een schending van de informatieverplichting vormt. De herziening van het ouderdomspensioen en de terugvordering waren daarmee terecht. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, zoals onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, waren niet aanwezig. De geringe inkomsten en vermeende broze gezondheid van eiser voldeden niet aan de hoge jurisprudentiële eisen.
De rechtbank handhaafde het bestreden besluit en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de terugvordering van €21.266,06.