ECLI:NL:RBDHA:2019:10952
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter in huurgeschil
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die betrokken is bij een huurgeschil met Stichting Vestia. Het verzoek betrof twee gronden: de wijze van bejegening door de kantonrechter, waaronder sturende opmerkingen die verzoeker het gevoel gaven niet serieus genomen te worden, en het toestaan van een pleitnota door de wederpartij, wat volgens verzoeker ongebruikelijk en onrechtvaardig was.
De wrakingskamer overwoog dat procedurele beslissingen, zoals het toelaten van een pleitnota, in beginsel geen grond voor wraking vormen. Daarnaast achtte de kamer de uitlatingen van de kantonrechter als een voorlopig oordeel, waarbij wel begrip bestond voor het gevoel van verzoeker, maar dit niet leidde tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.
De wrakingskamer benadrukte dat bejegeningsklachten niet via wraking kunnen worden behandeld, maar via een klacht bij het gerechtsbestuur. Gezien het ontbreken van bijzondere omstandigheden die wijzen op partijdigheid, wees de wrakingskamer het verzoek af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van zaken ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor vooringenomenheid.