ECLI:NL:RBDHA:2019:11318
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf na belangenafweging familie- en gezinsleven
Verzoekster, van Jemenitische nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij haar dochter en kleinkind in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat geen gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro werd aangenomen tussen verzoekster en haar dochter, en de belangenafweging leidde tot afwijzing.
Verzoekster stelde dat zij een sterke band met haar kleinkind heeft en dat zij in Jordanië geen opvang of hulp kan krijgen, waardoor terugkeer naar Jemen een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt. Tevens voerde zij aan dat zij gehoord had moeten worden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris wel degelijk een belangenafweging had gemaakt, waarbij het gezinsleven met het kleinkind werd erkend, maar dat de zorg hoofdzakelijk door de dochter en haar partner in Nederland kan worden voortgezet. Verzoekster had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in Jordanië kan verblijven of dat zij geen toegang tot voorzieningen heeft. De hoorplicht werd niet geschonden omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen het vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.