ECLI:NL:RVS:2018:73
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 25 september 2015 aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat door de staatssecretaris ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen gegrond, vernietigde de besluiten en bepaalde dat de staatssecretaris nieuwe besluiten moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdelingen incidenteel hoger beroep instelden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond.
De Afdeling overwoog dat het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, een belangenafweging vereist tussen het belang van de vreemdelingen en het Nederlandse migratiebeleid. Gezien het feit dat de vreemdelingen grotendeels zonder verblijfsrecht verbleven en dat hun moeder dit verblijf heeft bepaald, en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een voortzetting van het verblijf rechtvaardigen, is de weigering van de verblijfsvergunning niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen werden alsnog ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.