ECLI:NL:RBDHA:2019:11869
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.E.J.M. Gielen
- M.J.S. Kempers
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning op asielgrond wegens onvoldoende concreet nieuw asielmotief
Eiser, een Iraakse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van asiel. Na eerdere procedures werd de zaak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State terugverwezen naar de rechtbank. Eiser voerde een nieuw asielmotief aan, gebaseerd op zijn interesse in het christelijke geloof en de daaruit voortvloeiende bedreigingen in het asielzoekerscentrum en van zijn stam in Irak.
De rechtbank oordeelde dat dit nieuwe motief onvoldoende concreet was onderbouwd. Eiser gaf summiere informatie over zijn contacten met christelijke vrienden en bijwoonlessen, maar leverde geen verifieerbare bewijsstukken. Ook de door hem overgelegde vogelvrijverklaring was slechts een niet-verifieerbare kopie. De rechtbank paste artikel 83, derde lid, van de Vreemdelingenwet toe en liet het nieuwe motief buiten beschouwing.
Ten aanzien van het oorspronkelijke asielrelaas, waarin eiser stelt dat hij als privéchauffeur van een Iraakse officier werd bedreigd en beschoten, achtte de rechtbank de verklaringen over de confrontatie en dreigementen ongeloofwaardig. De rechtbank vond het onwaarschijnlijk dat een chauffeur een hooggeplaatste officier zou confronteren in Irak en dat de officier dergelijke gesprekken in zijn bijzijn zou voeren. Ook de dreigbrief van een organisatie werd niet als geloofwaardig beschouwd.
Het iMMO-rapport, dat het litteken op het been van eiser bevestigde als een schampschot, werd niet als sterke aanwijzing gezien omdat het relaas dat het moest staven niet overtuigend was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende concreet nieuw asielmotief en ongeloofwaardigheid van het oorspronkelijke relaas.