ECLI:NL:RVS:2019:2073
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Raad van State bevestigt dat nieuwe en achtergehouden asielmotieven in beroep in beginsel moeten worden betrokken
In deze zaak stond de vraag centraal of nieuwe en achtergehouden asielmotieven die voor het eerst tijdens de beroepsprocedure worden aangevoerd, door de rechtbank mogen worden betrokken bij de beoordeling van het beroep tegen een afwijzingsbesluit van de staatssecretaris. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2018 (Ahmedbekova en Ahmedbekov) gevolgd, waarin werd bepaald dat artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten verplicht om een volledig en ex nunc onderzoek te verrichten, inclusief nieuwe elementen die na het bestreden besluit aan het licht zijn gekomen.
De Afdeling overweegt dat zowel nieuwe als achtergehouden asielmotieven in beginsel bij de beoordeling van het beroep betrokken moeten worden, mits deze tijdig en voldoende concreet zijn ingediend. De rechtbank moet eerst beoordelen of zij zelf het motief kan betrekken, en vervolgens of de staatssecretaris in de gelegenheid kan worden gesteld om het motief te onderzoeken binnen een redelijke termijn, waarbij de snelheid van de procedure in acht wordt genomen. Indien het motief te laat of onvoldoende concreet is, kan het buiten beschouwing worden gelaten.
De Afdeling benadrukt de essentiële rol van de bestuurlijke fase, waarin de staatssecretaris met gespecialiseerd personeel het asielverzoek behandelt. Het recht op een volledig en ex nunc onderzoek door de rechter mag niet leiden tot het omzeilen van deze fase. De procedurele autonomie van de lidstaten wordt gerespecteerd, mits de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming worden gewaarborgd.
In deze specifieke zaak had de vreemdeling een nieuw asielmotief aangevoerd dat tijdens het beroep was ontstaan. De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris ten onrechte had betoogd dat dit motief niet mocht worden betrokken. De rechtbank had terecht de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld het motief te onderzoeken en een termijn van zes weken gesteld. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.