ECLI:NL:RBDHA:2019:11872
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging bij terugkeer Suriname
Eiser, een 68-jarige man van Surinaamse nationaliteit, vroeg op 14 juni 2018 een verblijfsvergunning aan op humanitaire gronden. De staatssecretaris wees deze aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiser voerde aan dat de belangenafweging onvoldoende was, met name vanwege zijn hechte familiebanden in Nederland, langdurig verblijf, gebrek aan sociaal vangnet in Suriname, hoge leeftijd en medische klachten.
De rechtbank oordeelde dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro inzake familie- en gezinsleven niet slaagt, mede door het overlijden van eisers moeder en het ontbreken van onderbouwing van het familieleven met broers en zusters. Wel achtte de rechtbank dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de leeftijd en sociale beperkingen van eiser, waardoor niet kon worden uitgesloten dat terugkeer een 'certain degree of hardship' zou veroorzaken.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en beval een nieuw besluit binnen zes weken, waarin ook aandacht moet zijn voor het bezoekrecht aan het graf van de overleden moeder. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende belangenafweging bij terugkeer naar Suriname.