Eiser, van Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, welke door verweerder werd afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en onvoldoende medische noodzaak voor vrijstelling. Na eerdere vernietiging van een besluit werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de medische omstandigheden van eiser niet adequaat heeft meegewogen bij de beoordeling van schrijnendheid en toepassing van de hardheidsclausule, wat leidt tot een motiveringsgebrek. Hoewel verweerder de medische klachten nader toelichtte en stelde dat behandeling ook in Suriname mogelijk is, ontbrak een inhoudelijke beoordeling in het bestreden besluit.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand, aangezien verweerder bij nadere motivering tot dezelfde conclusie kwam. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.