ECLI:NL:RBDHA:2019:11874

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 november 2019
Publicatiedatum
8 november 2019
Zaaknummer
C-09-582675-KG ZA 19-1071
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30p RvWetboek van Burgerlijke RechtsvorderingBOPZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot nakoming hofbeslissing over terugplaatsing in GGZ-kliniek

De zaak betreft een 18-jarige dochter die strafrechtelijk werd vervolgd voor poging tot doodslag en onder voorlopige hechtenis stond, geschorst onder de voorwaarde opname in een GGZ-kliniek. Na een PIJ-maatregel opgelegd door de rechtbank Noord-Holland en een hoger beroep, werd de voorlopige hechtenis opgeheven door het hof Amsterdam, dat bepaalde dat de dochter haar hechtenis in de GGZ-kliniek moest ondergaan.

De selectiefunctionaris weigerde echter de terugplaatsing vanwege eerdere incidenten in de kliniek, waarna de dochter werd overgeplaatst naar een justitiële jeugdinrichting. De ouders, als curatoren, vorderden nakoming van het hofbesluit. De rechtbank oordeelde dat de beslissing van het hof prevaleert boven die van de selectiefunctionaris, mede omdat alle deskundigen unaniem de kliniek als geschikte plaats achten.

De rechtbank veroordeelde de Staat om binnen korte termijn een gesprek tussen ouders en kliniek te faciliteren en de dochter terug te plaatsen. Tevens werd de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en stelde dat bij onvoldoende veiligheidsmaatregelen een voorlopige machtiging BOPZ kan worden aangevraagd.

Uitkomst: De Staat is veroordeeld tot nakoming van het hofbesluit en terugplaatsing van de dochter in de GGZ-kliniek.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/582675 / KG ZA 19/1071
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 2 november 2019
in de zaak van

1.[ouder I],

2.
[ouder II]
beiden wonende te [plaats 1],
in hun kwaliteit van curatoren van
[de dochter], domicilie kiezend te [plaats 2],
eisers,
advocaat mr. R.A. Korver te Amsterdam,
tegen:
de Staat der Nederlandente Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de ouders’ en ‘de Staat’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. H.A. van Dijk-Verheij, griffier.
Tevens zijn aanwezig eisers, vergezeld van mr. Korver, en de heer [A] en mevrouw [B] van de Dienst Justitiële Inrichtingen, vergezeld van mr. Nieuwland.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
[de dochter] (hierna: [de dochter]), die thans 18 jaar oud is, is strafrechtelijk vervolgd voor poging tot doodslag. Op 24 april 2019 is haar gevangenhouding bevolen, waarna die meermaals is verlengd. De rechtbank Noord-Holland heeft de voorlopige hechtenis van [de dochter] bij bevel van 1 augustus 2019 geschorst. Daarbij is onder meer de voorwaarde gesteld dat [de dochter] zich zal laten opnemen en behandelen in GGZE [X] te [plaats 3] en zich zal houden aan de aanwijzingen van de behandelaars.
1.2.
[de dochter] is op 15 augustus 2019 onder curatele van de ouders gesteld. De rechtbank Noord-Holland heeft [de dochter] bij beslissing van 11 september 2019 ontslagen van alle rechtsvervolging voor een poging tot doodslag en heeft een zogenoemde PIJ-maatregel voor de duur van twee jaren opgelegd. [de dochter] heeft tijdig hoger beroep aangetekend tegen deze beslissing.
1.3.
In [X] hebben incidenten plaatsgevonden rondom de behandeling van [de dochter], waarop [X] heeft besloten dat [de dochter] daar niet kon blijven. Op 29 oktober 2019 is [de dochter] overgeplaatst naar Rijks Justitiële Jeugdinrichting [de Jeugdinrichting Q].
1.4.
Op 31 oktober 2019 heeft de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam de schorsing van de voorlopige hechtenis van [de dochter] met onmiddellijke ingang opgeheven en bepaald dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in [X] te [plaats 3]. De selectiefunctionaris heeft vervolgens geweigerd [de dochter] opnieuw in [X] te plaatsen. [de dochter] verblijft tot op heden in [de Jeugdinrichting Q].
1.5.
De ouders vorderen (primair) de beschikking van het hof Amsterdam van 31 oktober 2019 na te komen voor zover het betreft de detentie in [X]. De Staat voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde.
1.6.
Het gevorderde is toewijsbaar, met dien verstande dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat maandagochtend aanstaande, 4 november 2019, een gesprek dient plaats te vinden tussen de ouders en [X] waarin moet worden bekeken welke maatregelen ten aanzien van [de dochter] moeten worden genomen in het kader van begrenzing en beveiliging en dat [de dochter] op diezelfde maandag in de middag moet worden teruggeplaatst in [X]. Daartoe is het volgende redengevend.
1.7.
De beslissing van het hof [plaats 2] prevaleert in dit geval boven die van de selectiefunctionaris. Daartoe is van belang dat de beslissing van het hof is genomen na een uitvoerige behandeling en bovendien alle betrokken deskundigen unaniem zijn in hun oordeel, dat [X] de
enigegeschikte plaats is voor (de behandeling van) [de dochter], die zeer kwetsbaar is en last heeft van complexe psychische problematiek. De selectiefunctionaris kan onder deze omstandigheden niet aan de beslissing van het hof voorbijgaan met de enkele stelling dat de selectiefunctionaris de plaatsing bepaalt. De Staat heeft daarbij weliswaar aangevoerd dat terugplaatsing niet mogelijk is, gelet op de incidenten die zich bij de eerdere plaatsing daar hebben voorgedaan, maar dat verweer wordt gepasseerd. Daarbij wordt er immers ten onrechte aan voorbij gegaan dat [de dochter] eerder formeel vrijwillig in [X] verbleef, waardoor [X] toen geen maatregelen kon opleggen. Dat is nu anders, omdat de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven. De huidige voorlopige hechtenis lijkt op zichzelf reeds grondslag te bieden aan [X] voor het nemen van begrenzende maatregelen. Daarbij komt dat de ouders, als curatoren van [de dochter], ter zitting hebben verklaard bereid te zijn zo nodig hun toestemming aan [X] te verlenen voor het nemen van aanvullende begrenzende maatregelen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de ouders deze toezegging gestand zullen doen. Het is vervolgens aan [X] om de condities te bepalen waaronder [de dochter] terug kan keren. [X] kan deze condities aan de ouders doorgeven in het gesprek dat – nu het lastig zal zijn dat nog dit weekend te realiseren – aanstaande maandagochtend moet plaatsvinden en aan de ouders om hun accordering vragen. Daarnaast merkt de voorzieningenrechter op dat – als ook deze gang van zaken naar oordeel van [X] geen of onvoldoende soelaas biedt voor eventuele veiligheidsrisico’s – door de meest gerede partij een voorlopige machtiging in het kader van de BOPZ kan worden aangevraagd met het daarbij behorende dwangkader.
1.8.
Aangezien de Staat pleegt gerechtelijke uitspraken na te komen, zal geen dwangsom worden opgelegd.
1.9.
De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
veroordeelt de Staat tot nakoming van de beschikking van het hof Amsterdam van 31 oktober 2019, in die zin dat:
i) de Staat dient te bewerkstelligen dat maandagochtend 4 november 2019 een gesprek zal plaatsvinden tussen de ouders en [X] met als onderwerp de condities waaronder [de dochter] terug kan keren naar [X];
ii) de Staat dient te bewerkstelligen dat [de dochter] maandagmiddag 4 november 2019 terug zal keren naar [X] voor detentie en behandeling;
2.2.
veroordeelt de Staat om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de ouders te betalen, tot dusverre aan de zijde van de ouders begroot op € 1.277,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 297,-- aan griffierecht;
2.3.
bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd;
2.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
2.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. H.A. van Dijk-Verheij mr. S.J. Hoekstra-van Vliet