ECLI:NL:RBDHA:2019:12520
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van minderjarigen
De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2018, die feitelijk verblijven in een pleeggezin. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar is niet in staat zelfstandig voor de kinderen te zorgen. De gecertificeerde instelling heeft verzocht om verlenging van beide maatregelen voor de periode van één jaar.
De kinderrechter heeft op 7 november 2019 de zaak met gesloten deuren behandeld. Tijdens de zitting is gebleken dat de bezoekregeling tussen de moeder en de kinderen weer is opgestart en positief verloopt, met het oog op toekomstige bezoeken zonder begeleiding. De pleegouders rapporteren een goede ontwikkeling van de kinderen.
De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, zoals genoemd in de artikelen 1:255 en 1:265b van het Burgerlijk Wetboek, nog steeds aanwezig zijn. De zorgen die eerder zijn vastgesteld blijven onverminderd bestaan. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 8 november 2020, met behoud van de gecertificeerde instelling als verantwoordelijke.
De beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met de schriftelijke uitwerking vastgesteld op 22 november 2019. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening, via de griffie van het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen worden verlengd tot 8 november 2020.