ECLI:NL:RBDHA:2019:12864

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2019
Publicatiedatum
3 december 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 665
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AwrArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over immateriële schadevergoeding Bpm

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) over meerdere maanden en jaren, waarbij vijftien afzonderlijke bezwaren zijn ingediend. Verweerder heeft deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, maar ambtshalve een immateriële schadevergoeding toegekend.

Eiseres is het niet eens met de hoogte van deze vergoeding en stelt dat de vergoeding per auto en niet per bezwaar had moeten worden toegekend. De rechtbank oordeelt dat het besluit tot toekenning van immateriële schadevergoeding niet valt onder de belastingwet zoals bedoeld in artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Hierdoor is de belastingrechter niet bevoegd om over dit besluit te oordelen.

Ook de bestuursrechter is niet bevoegd, omdat op grond van artikel 26 Awr Pro alleen de belastingrechter bevoegd is voor beroepen over de op aangifte afgedragen Bpm. Jurisprudentie over de beoordeling van schadebesluiten in het bestuursrecht creëert geen bevoegdheid voor de belastingrechter in dit soort zaken.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en verwijst eiseres naar de burgerlijke rechter voor het aanvechten van de immateriële schadevergoeding. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de immateriële schadevergoeding en verwijst eiseres naar de burgerlijke rechter.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 18/665, SGR 18/666, SGR 18/667, SGR 18/668, SGR 18/669,
SGR 18/670, SGR 18/671, SGR 18/672, SGR 18/674, SGR 18/675, SGR 18/676,
SGR 18/677, SGR 18/678, SGR 18/679 en SGR 18/1571

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

21 november 2019 in de zaken tussen

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres(gemachtigde: [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 11 december 2017, 21 december 2017 en 26 januari 2018 op de bezwaren van eiseres tegen de voldoeningen op aangifte van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2019.
Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] .

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Overwegingen

1. Eiseres heeft voor de maanden februari 2008 tot en met juli 2008 en voor de maanden september 2008 tot en met april 2009 per maand afzonderlijk op aangifte Bpm voldaan. Voor de periode van juni 2009 tot en met december 2009 heeft eiseres op één aangifte Bpm voldaan. Eiseres heeft in totaal vijftien aangiftes Bpm gedaan. De aangiftes hebben betrekking op circa 1.390 auto’s.
2. Op 30 januari 2013 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van Bpm voor de maand februari 2008. In de daaropvolgende maanden heeft eiseres ook tegen de voldoeningen op aangifte van Bpm voor de maanden maart 2008 tot en met juli 2008, september 2008 tot en met april 2009 en voor de periode juni 2009 tot en met december 2009 bezwaar gemaakt. In totaal heeft eiseres vijftien bezwaren ingediend.
3. Verweerder heeft op 11 december 2017, 21 december 2017 en 26 januari 2018 uitspraken op bezwaar gedaan op de vijftien bezwaren van eiseres. Verweerder heeft alle bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.
4. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verweerder aan eiseres voor elk bezwaar ambtshalve een vergoeding voor immateriële schade toegekend. Het totaalbedrag dat verweerder voor de vijftien bezwaren heeft toegekend is € 37.500.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. In geschil is uitsluitend nog de hoogte van de door verweerder ambtshalve toegekende vergoeding voor immateriële schade. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder een vergoeding per auto (en niet per bezwaar) had moeten toekennen.
6. Het besluit van verweerder over het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade betreft naar het oordeel van de rechtbank niet een ingevolge de belastingwet genomen besluit als bedoeld in artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), zodat de in artikel 26 van Pro de Awr gegeven afwijking van artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is en de belastingrechter van de rechtbank niet bevoegd is om over dit besluit te oordelen. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat volgens de in het bestuursrecht geldende jurisprudentie de rechtmatigheid van een schadebesluit dient te worden beoordeeld aan de hand van de regels die gelden voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit. Deze jurisprudentie creëert echter bij de belastingrechter geen rechtsingang en schept geen bevoegdheid tot het voeren van een rechtsgeding ten overstaan van de belastingrechter in een geschil omtrent een verzoek tot vergoeding van immateriële schade als hier aan de orde.
7. In dit geval staat evenmin beroep open bij de algemene bestuursrechter. De algemene bestuursrechter is slechts bevoegd kennis te nemen van een beroep tegen die beslissing indien hij ook bevoegd zou zijn te oordelen over een beroep tegen de uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf die de gestelde schade veroorzaakt, in dit geval de op aangifte voldane Bpm. Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Awr is de belastingrechter en derhalve niet de algemene bestuursrechter bevoegd te oordelen over een beroep over de op aangifte afgedragen Bpm. Vergelijk de uitspraak van rechtbank Den Haag van 25 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11375, welke uitspraak door het Gerechtshof Den Haag op 30 maart 2018 is bevestigd, ECLI:NL:GHDHA:2018:650, gevolgd door het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2184.
8. De belastingrechter en de algemene bestuursrechter zijn dus niet bevoegd kennis te nemen van beroepen tegen beslissingen van verweerder over het ambtshalve toekennen van een vergoeding voor immateriële schade zoals die hier voorliggen. De rechtbank heeft zich daarom onbevoegd verklaard. Indien eiseres deze beslissingen in rechte wil aanvechten, dient zij zich te wenden tot de burgerlijke rechter.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Baak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.