Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 30 maart 2018, nr. BK-17/00852, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/04040).
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, welke op haar beurt het hoger beroep behandelde tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie inhoudelijk niet behandeld omdat de klachten onvoldoende gronden boden voor cassatie of omdat belanghebbende niet voldoende belang had bij het beroep.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk heeft behandeld en het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
De uitspraak is gedaan door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, samen met raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, en werd openbaar uitgesproken op 23 november 2018. De zaak betreft een bestuursrechtelijke kwestie met belastingrechtelijke aspecten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.