ECLI:NL:HR:2018:2184

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2018
Publicatiedatum
22 november 2018
Zaaknummer
18/01565
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in belastingrechtelijke bestuurszaak

In deze zaak betrof het een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, welke op haar beurt het hoger beroep behandelde tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie inhoudelijk niet behandeld omdat de klachten onvoldoende gronden boden voor cassatie of omdat belanghebbende niet voldoende belang had bij het beroep.

Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk heeft behandeld en het arrest van het gerechtshof in stand blijft.

De uitspraak is gedaan door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, samen met raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, en werd openbaar uitgesproken op 23 november 2018. De zaak betreft een bestuursrechtelijke kwestie met belastingrechtelijke aspecten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

23 november 2018
Nr. 18/01565
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 30 maart 2018, nr. BK-17/00852, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/04040).

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018.