ECLI:NL:RBDHA:2019:12882

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2019
Publicatiedatum
4 december 2019
Zaaknummer
NL19.22835
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vreemdelingenwet 2000Artikel 10 Richtlijn 2008/115/EGArtikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 24 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 5, onder a, Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit niet-begeleide minderjarige afgewezen

Eiser, een niet-begeleide minderjarige van Marokkaanse nationaliteit, had beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit dat tevens diende als buiten behandeling stelling van zijn asielaanvraag. De staatssecretaris had het besluit genomen omdat eiser niet was verschenen bij het gehoor zonder geldige reden. Eiser stelde dat het terugkeerbesluit niet had mogen worden opgelegd voordat het Hof van Justitie prejudiciële vragen over de toepassing van terugkeerrichtlijnen had beantwoord.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet verplicht was te wachten op de beantwoording van deze prejudiciële vragen. Uit jurisprudentie volgt dat ouders zorgplicht hebben voor opvang in het land van herkomst, en eiser had contact met zijn moeder in Marokko. Er was geen reden om aan te nemen dat er geen opvang aanwezig was. Verder kon eiser niet aannemelijk maken dat de staatssecretaris pas na zijn achttiende uitzettingshandelingen zou verrichten.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.S.W. Kroon op 31 oktober 2019 en kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.22835

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.M. Suurmeijer-Wawoe),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

ProcesverloopBij besluit van 23 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.22836, plaatsgevonden op 28 oktober 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder was, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting vertegenwoordigd.

Overwegingen

1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit en geboren op 13 juli 2002.
2. Verweerder heeft eisers aanvraag op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en
onder b van de Vreemdelingenwet 2000 buiten behandeling gesteld omdat eiser niet is verschenen bij het gehoor en niet heeft aangetoond dat hem dit niet is aan te rekenen. Het bestreden besluit geldt tevens als terugkeerbesluit en heeft van rechtswege tot gevolg dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten.
3. Eiser voert aan dat verweerder aan hem geen terugkeerbesluit had mogen opleggen.
Eiser is een niet-begeleide minderjarige. Door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, zijn bij de tussenuitspraak van 12 juni 2019 [1] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie met betrekking tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit aan een niet-begeleide minderjarige, onder meer in relatie tot onderzoek naar de aanwezigheid van opvang in het land van herkomst. Verweerder had de uitkomst van deze vragen dienen af te wachten voor het nemen van het terugkeerbesluit. Eiser is van mening dat de eerste en derde prejudiciële vragen van belang zijn voor zijn zaak.
3.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is om de
beantwoording van de vragen af te wachten. De prejudiciële vragen die zijn gesteld hebben betrekking op de interpretatie van wet- en regelgeving aangaande terugkeerbesluiten. Dit brengt niet met zich dat geen terugkeerbesluiten kunnen worden uitgevaardigd volgens de huidige interpretatie van deze wet- en regelgeving.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten de vraag of het standpunt van
verweerder in zijn algemeenheid juist is, verweerder in dit geval niet gehouden was om de beantwoording door het Hof van Justitie van de gestelde prejudiciële vragen af te wachten. Hiervoor is het volgende van belang.
3.3
De eerste prejudiciële vraag die de rechtbank heeft gesteld is:
“Dient artikel 10 van Pro Richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Terugkeerrichtlijn), gelezen in samenhang met artikel 4 en Pro 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), overweging 22 van de considerans en artikel 5, onder a, van de Terugkeerrichtlijn en artikel 15 van Pro de Richtlijn 2011/95/EU (hierna: de Kwalificatierichtlijn), aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat voordat aan een niet‑begeleide minderjarige een terugkeerplicht wordt opgelegd zich ervan dient te vergewissen en hiernaar onderzoek te verrichten of in het land van herkomst in ieder geval in beginsel adequate opvang aanwezig en beschikbaar is?”
Uit de verklaringen van eiser tijdens het gehoor en ter zitting volgt dat zijn moeder in Marokko woont en dat eiser wekelijks telefonisch contact met haar heeft. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] volgt dat de zorgplicht van ouders voor minderjarige kinderen met zich brengt dat zij er zorg voor dienen te dragen dat op enigerlei wijze opvang voor de betrokken vreemdeling in het land van herkomst aanwezig is. Dit is slechts anders indien de minderjarige vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat hij kan rekenen op de zorg van een ouder. Er bestaat in dit geval geen reden om aan te nemen dat er geen opvang is voor eiser in Marokko. Gelet hierop heeft verweerder, voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit, zich er verder niet van hoeven te vergewissen of onderzoek te doen naar de vraag of in het land van terugkeer een volwassen familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteit aanwezig is.
3.4.
De derde prejudiciële vraag die de rechtbank heeft gesteld is:
“Dient artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, aldus te worden uitgelegd dat indien een niet-begeleide minderjarige geen gevolg geeft aan zijn terugkeerplicht en de lidstaat geen concrete handelingen verricht om tot uitzetting over te gaan, de terugkeerplicht dient te worden geschorst en daarmee rechtmatig verblijf moet worden toegestaan? Dient artikel 8, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn aldus te worden uitgelegd dat het opleggen van een terugkeerbesluit aan een niet-begeleide minderjarige zonder daarna uitzettingshandelingen te verrichten totdat de niet-begeleide minderjarige de leeftijd van achttien jaar bereikt in strijd moet worden geacht met het loyaliteitsbeginsel en het beginsel van gemeenschapstrouw?”
Volgens eiser verricht verweerder namelijk pas uitzettingshandelingen als een minderjarige de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze algemene stelling door eiser niet
onderbouwd. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat verweerder in zijn geval pas uitzettingshandelingen zal verrichten nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen
aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van M.M. Neutgens, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 31 oktober 2019
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.zie o.a. de uitspraak van 6 juni 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BW7803.