ECLI:NL:RBDHA:2019:12983
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag alleenstaande minderjarige vreemdeling Liberia wegens ontbreken beschermenswaardig gezinsleven
Eiser, een minderjarige uit Liberia, diende op 20 juni 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Hij baseerde zijn aanvraag op het overlijden van zijn moeder door ebola en het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden in Liberia. Eiser wilde verblijven bij zijn vermeende vader in Nederland.
De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser geen asielrechtelijke problemen ondervond in Liberia en niet voldeed aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv). DNA-onderzoek toonde aan dat de heer [naam 2] niet de biologische vader van eiser is, waardoor geen beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond.
Eiser voerde aan dat hij wel degelijk recht had op een verblijfsvergunning als amv en dat er sprake was van een beschermenswaardig gezinsleven ondanks het ontbreken van biologische verwantschap. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat eiser niet voldeed aan het buitenschuldbeleid en dat de relatie met de heer [naam 2] niet voldeed aan de criteria voor gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de rechtbank wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak benadrukt het belang van biologische of juridisch erkende familiebanden voor verblijfsrecht op grond van gezinsleven en de noodzaak van adequate opvangmogelijkheden in het land van herkomst.
Uitkomst: Het beroep van de alleenstaande minderjarige vreemdeling tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.