Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2019 in de zaak tussen
[verzoeker] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Overwegingen
De aard en de ernst van het misdrijf.
Rechtbank Den Haag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok de verblijfsvergunning in van een in Nederland geboren man met de Marokkaanse nationaliteit vanwege zijn strafblad, waaronder een gevangenisstraf van tien jaar in België. De man had sinds 2001 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en voerde aan dat de intrekking onrechtmatig was, mede vanwege het rechtszekerheidsbeginsel en zijn langdurige verblijf in Nederland.
De voorzieningenrechter overwoog dat de wet de intrekking van de vergunning toestaat bij ernstige veroordelingen en dat de zogenaamde glijdende schaal vanaf 1 juli 2012 van toepassing is. De detentie in België werd als verplaatsing van het hoofdverblijf gezien, waardoor de man geen rechten kon ontlenen aan artikel 21, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De belangenafweging volgens artikel 8 EVRM Pro leidde tot het oordeel dat het intrekken van de vergunning niet in strijd is met het recht op familie- en privéleven, mede vanwege de ernst van de gepleegde misdrijven en het strafblad.
Het verzoek om schorsing van het besluit werd afgewezen, waarbij ook werd overwogen dat de man onvoldoende had onderbouwd dat er sprake was van bijzondere familiebanden of een positieve gedragsverandering. De gronden met betrekking tot de ongewenstverklaring en het onthouden van een vertrektermijn werden niet inhoudelijk beoordeeld en kunnen in de bezwaarprocedure aan bod komen.
Uitkomst: Verzoek om schorsing van de intrekking van de verblijfsvergunning wordt afgewezen vanwege ernstige strafrechtelijke antecedenten en onvoldoende bescherming op grond van familie- en privéleven.