ECLI:NL:RVS:2018:272
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ongewenstverklaring vreemdeling met Italiaanse verblijfsvergunning
De staatssecretaris vaardigde op 21 juli 2014 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. Dit werd later opgeheven en vervangen door een besluit van 29 augustus 2016 waarin de vreemdeling ongewenst werd verklaard. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het eerste beroep niet-ontvankelijk, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat het inreisverbod was opgeheven, maar dat het beroep tegen de ongewenstverklaring wel ontvankelijk was en getoetst moest worden. De staatssecretaris had de vreemdeling ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing zou zijn.
De vreemdeling voerde aan dat hij niet ongewenst kon worden verklaard omdat hij de Iraakse nationaliteit heeft en geen ingezetene van de EU is, ondanks zijn rechtmatig verblijf in Italië. De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris ten onrechte aannam dat de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan moest worden beschouwd. De enkele omstandigheid van een Italiaanse verblijfsvergunning maakt hem geen gemeenschapsonderdaan zoals bedoeld in de wet.
Daarom is het besluit tot ongewenstverklaring in strijd met artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en wordt het vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring van de vreemdeling wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van de Vreemdelingenwet 2000.