ECLI:NL:RBDHA:2019:13101
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Geen ondernemerschap voor personenvervoer via Uber in 2015
Eiser verrichtte in 2015 personenvervoer via Uber en voerde daarnaast andere werkzaamheden uit, waaronder advies over duurzame energie en reparatie van computerapparatuur. Hij gaf de inkomsten uit Uber aan als resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl hij stelde dat sprake was van winst uit onderneming.
De Belastingdienst stelde dat de vervoersactiviteiten niet als onderneming kwalificeerden en belastte de inkomsten dienovereenkomstig. De rechtbank onderzocht de criteria voor ondernemerschap, zoals duurzaamheid, zelfstandigheid, investeringen en ondernemersrisico. Uit het dossier bleek dat Uber de voorwaarden bepaalde waaronder eiser kon werken, dat hij slechts één opdrachtgever had en weinig zelfstandigheid genoot.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in 2015 als ondernemer handelde. De auto werd terecht als privéauto aangemerkt met bijtelling. Het beroep werd ongegrond verklaard en de belastingheffing als resultaat uit overige werkzaamheden bevestigd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de belastingheffing als resultaat uit overige werkzaamheden.