Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 november 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
[E] , en [F] .
Overwegingen
Geschil6.In geschil is of de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd omdat deze ten name van eiseres is gesteld in plaats van op naam van de fiscale eenheid. Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of de diensten van eiseres zijn vrijgesteld van omzetbelasting. De berekening van de omzetbelasting over de ontvangen vergoedingen is op zich niet in geschil.
17 oktober 2018 blijkt niet dat het beroep ook is gericht tegen de naheffingsaanslagen die zijn opgelegd aan de voormalige zustervennootschappen van eiseres. Daarin wordt uitsluitend de naheffingsaanslag vermeld die is opgelegd aan eiseres. Dat onder 1.9 van de motivering van het beroepschrift van 21 december 2018 wordt vermeld dat ook aan de zustervennootschappen naheffingsaanslagen zijn opgelegd, is onvoldoende om het beroepschrift alsnog ook aan te merken als gericht tegen die naheffingsaanslagen. De motivering van het beroepschrift is verder geheel toegespitst op de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag. Pas in haar nader stuk van 9 augustus 2019 vermeldt eiseres nadrukkelijk dat het beroep mede is gericht tegen de uitspraken op bezwaar inzake de naheffingsaanslagen opgelegd aan de voormalige zustervennootschappen. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat de rechtbank het nader stuk niet als een (buiten de termijn van zes weken ingediend) beroepschrift tegen die uitspraken op bezwaar hoeft aan te merken.