Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het tussenvonnis van 7 november 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
- het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van comparitie van 19 maart 2019; de Staat heeft hierop bij brief van 9 april 2019 gereageerd; eiseres heeft dit gedaan bij brief van 10 april 2019. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van hun opmerkingen gelezen.
2.De feiten
10. Beantwoording onderzoeksvragen
12.Reactie op het advies
13.Inzage
10.Beantwoording onderzoeksvraag
1. Wat zijn de zorgpunten en sterke punten in de ontwikkeling van [de minderjarige, rb] en wat heeft zij naast basale zorg en veiligheid nodig?
4. Samenvatting van de beschikbare informatie, ontwikkeling [minderjarige, rb.].
2. Wat zijn de zorgpunten en sterke punten in de opvoedingsomgeving / -context en in hoeverre komt deze tegemoet aan wat [de minderjarige, rb] nodig heeft? Deze vraag is bij 4. Samenvatting van de beschikbare informatie gezinscontext, grotendeels beantwoord.
3. Welke doelen moeten behaald worden om de ontwikkelingsperspectieven van [de minderjarige, rb] veilig te stellen?
4. Welke hulp is nodig en wat zijn de mogelijkheden om de noodzakelijke hulpverlening te accepteren en te benutten?
13. Inzage
14.Reactie op het verzoek en rapport
Klacht 2
gegrond. (…)
gegrond.
gegrondverklaard.
gegrond.
niet gegrond.
niet gegrond.
gegrondis.
gegrond.
gegrond.
niet gegrond. (...)”
3.Het geschil
4.De beoordeling
2.2 Uitgangspunten bij de uitvoering
Commissie:
gegrond. (…)
gegrond.”
allebij de minderjarige betrokken volwassenen overeenstemming zouden moeten bereiken over de nieuwe woonplaats van de minderjarige. De door hem als noodzakelijk aangeduide hulpverlening (die naar zijn inzicht onvoldoende kans van slagen had) had daarop immers betrekking. Deze suggestie is echter onjuist. Alleen eiseres en de vader, als met het gezag belaste ouders, waren bevoegd over de woonplaats van de minderjarige te beslissen (art. 1:251 BW Pro). De overige drie bij de minderjarige betrokken volwassenen, te weten de stiefvader en de grootouders moederszijde) hadden hierover geen zeggenschap.
onomkeerbaar procesin gang gezet. De moeder heeft dit proces (ook al heeft zij dit vanaf het begin en op verschillende momenten geprobeerd) niet meer kunnen stoppen.
doorslaggevend gewichtheeft toegekend aan de raadsrapportage (zie rov. 2.20 van dit vonnis en de rov.’en 16-19 van het hof). Overigens heeft ook de kinderrechter op 20 augustus 2013 nog de ots verlengd, ondanks het daartegen door eiseres gemotiveerd gemaakte bezwaar (zie rov. 2.28).
€ 4.452,73toewijsbaar.
€ 5.908,62.