ECLI:NL:RBDHA:2019:13671
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De rechtbank Den Haag behandelde het geschil tussen eiser en de inspecteur van de Belastingdienst over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2009, 2010, 2011 en aanslagen over 2013. Verweerder legde deze aanslagen op naar aanleiding van een boekenonderzoek en een gezamenlijke actie van politie en Belastingdienst in 2014.
Verweerder stelde op basis van kasopstellingen en bankafschriften vast dat eiser een negatief netto privé had in de betreffende jaren, wat duidt op niet aangegeven inkomsten. Eiser gaf verschillende verklaringen die onvoldoende onderbouwd en niet verifieerbaar waren. De rechtbank oordeelde dat de door verweerder gehanteerde methode van kasopstelling geschikt is om inkomsten aan te tonen en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de negatieve kassaldi verklaard konden worden.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde en dat de aanslagen terecht en niet te hoog waren vastgesteld. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep met 2 jaar en 3 maanden was overschreden, waarvoor verweerder werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €2.500. De proceskosten van eiser werden vastgesteld op €512 en het betaalde griffierecht van €47 werd aan eiser vergoed.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen zijn bevestigd en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €2.500 immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.