Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 31 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij is tevens tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.
Overwegingen
Mijn doel was te vertrekken. Ik weet wat ik wil. Ik was vastberaden weg te gaan”. Daarbij heeft eiser verklaard: “
Ik heb met hem gewerkt zodat ik gratis kon reizen.” Volgens verweerder blijkt uit deze verklaringen niet dat eiser onder enige dwang stond van een mensensmokkelaar om dit werk te doen. Aan de enkele stelling van eiser in zijn zienswijze dat hij niet zomaar weg kon gaan omdat de mensensmokkelaar niet wilde dat de locatie van de magazijnen bekend zou worden, wordt in het licht van de overige verklaringen van eiser, geen geloof gehecht. Bovendien is eiser gevraagd waarom hij niet al op dag één is weggegaan als hij het zo verschrikkelijk vond, waarop hij expliciet heeft geantwoord: “
Waar moest ik naar toe? Ik was gedwongen. Als je iets wilt doe je alles.” Dit duidt niet op een dwang vanuit de smokkelaar, maar getuigt veeleer van een situatie waarin de motivatie van eiser om naar Europa te reizen leidend is geweest in zijn handelen en werkzaamheden voor de mensensmokkelaar. Verder is van de verklaring van eiser in de zienswijze, dat hij niet in de nacht kon vertrekken omdat er dan door de bewaking zou worden geschoten, tijdens de gehoren in het geheel geen gewag gemaakt. Die verklaring wordt dan ook niet zonder meer gevolgd. Zeker niet nu eiser bij herhaling heeft aangegeven dat hij niet weg kon, omdat hij koste wat kost wilde doorreizen naar Europa.
Artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
C-554/13 (ECLI:EU:C:2015:3770) en het arrest K. en H.F. van 2 mei 2018, C-331/16 en
C-366/16 (ECLI:EU:C:2018:296), gegeven beoordelingskader, dat eiser een actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
only after a full assessment of the individual circumstances of the case”).
Children are reportedly disproportionally affected by the conflict and violence in Libya […]”. Daarnaast onderscheidt het Hof in het arrest Elgafaji van 17 februari 2009 (ECLI:EU:C:2009:94) een situatie waarin er wellicht niet voor eenieder sprake is van een 15c-situatie, maar waar in een individueel geval daarvan wel sprake is. Volgens eiser is sprake van individuele, persoonlijke omstandigheden. Hij heeft geen netwerk in Libië en is zeer beschadigd door wat hij heeft meegemaakt. Er zijn geen autoriteiten die bescherming bieden. Hij kan niet naar een ander gedeelte van Libië. Hij behoort tot de Warfallah, welke stam erg kwetsbaar is. Dit volgt ook uit WBV 2015/8 van 24 juni 2015. Deze stam was loyaal aan het bewind van Gaddafi. In die WBV staat ook dat er geen bescherming mogelijk is voor asielzoekers die behoren tot de Warfallah en er geen vlucht- of vestigingsalternatief is. De stelling van verweerder dat hij bij zijn tante terecht zou kunnen, is niet onderbouwd. Het is boven niet mogelijk, omdat zijn oom hier niet mee instemt. Eiser wijst op zijn verklaring dat zijn tante op een bepaalde leeftijd de zorg weer overdroeg op zijn vader.
Vrijwaren van verantwoordelijkheid vanwege dwang?
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,00.