ECLI:NL:RBDHA:2019:1389

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
18 februari 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4322
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WbpArt. 8:29 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzageverzoek persoonsgegevens dossier moeder en leerling bij Inspectie Onderwijs

Eiseres verzocht bij de Inspectie van het Onderwijs inzage in haar dossier en dat van haar zoon op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Verweerder wees het verzoek gedeeltelijk af, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het bestreden besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, ondanks aanvankelijke twijfels over de motivering van de gronden. Tijdens de zitting gaf eiseres aan geen inzage te wensen in persoonsgegevens van derden, maar wel in interne notities en meningen van ambtenaren over het langdurig schoolverzuim van haar zoon.

De rechtbank stelde vast dat verweerder het verzoek naar behoren had behandeld en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat er meer informatie beschikbaar was dan reeds verstrekt. Bovendien valt interne beraadslaging buiten het bereik van de Wbp. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het gedeeltelijk afwijzen van haar inzageverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 18/4322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Salhi)
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. R.J. Oskam).

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om de verstrekking van gegevens ingevolge de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) gedeeltelijk afgewezen.
Bij besluit van 27 februari 2018 heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd.
Bij besluit van 7 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat ten aanzien van enkele op de zaak betrekking hebbende stukken alleen de rechtbank kennis mag nemen. Eiseres heeft de rechtbank desgevraagd toestemming verleend om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om inzage van het dossier van haar en haar zoon [A] bij de Inspectie van het Onderwijs gedeeltelijk afgewezen. Op verzoek van eiseres heeft verweerder zijn beslissing aangepast en het verzoek verruimd voor zover het betreft de bij de minister berustende gegevens van eiseres en haar zoon. Ook dit verzoek is gedeeltelijk afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gewijzigde primaire besluit gehandhaafd, met aanpassing van de motivering.
2 Eiseres heeft in het beroepschrift verwezen naar de gronden van bezwaar en zich op het standpunt gesteld dat het belang van haar zoon, die sinds 25 april 2016 niet meer naar school gaat, zwaarder moet wegen dan het belang van verweerder bij het niet volledig inzage geven in het dossier van [A] .
3 De rechtbank dient eerst te beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Op 19 juni 2018 en op 27 juni 2018 heeft de rechtbank zonder resultaat verzocht om een aanvulling van de gronden die eiseres in het vooruitzicht had gesteld. Tijdens de zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres in reactie op het in het verweerschrift ingenomen standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het ontbreken van een motivering, betoogd dat nu in de brief van 18 juni 2018 van eiseres niet is volstaan met een loutere verwijzing naar de gronden van bezwaar maar deze gronden expliciet zijn benoemd, het beroep wel degelijk ontvankelijk moet worden geacht. De rechtbank volgt deze redenering.
4 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat zij er begrip voor heeft dat geen inzage wordt gegeven in informatie over gegevens van derden zoals namen, telefoonnummers en e-mailadressen. Eiseres wil inzage hebben in interne notities en persoonlijke meningen van ambtenaren. Bij het langdurig schoolverzuim van haar kind heeft zij tegenwerking ondervonden en zij wil weten wat daarvan de achtergrond is. Zij is er van overtuigd dat er meer informatie moet zijn.
5 Ingevolge artikel 35 van Pro de Wbp recht bestaat recht op inzage in de verwerking van persoonsgegevens van de betrokkene die daarom vraagt. Niet is gebleken dat verweerder niet op juiste wijze aan het verzoek van eiseres is tegemoetgekomen. De ter zitting ingenomen stelling dat er meer informatie zou moeten zijn dan verweerder (al of niet onder geheimhouding) heeft verstrekt is niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Voor zover eiseres heeft gesteld dat zij recht heeft op inzage in de persoonlijke gedachten van medewerkers die zijn gemaakt ten behoeve van intern beraad, volgt de rechtbank het in het bestreden besluit ingenomen standpunt van verweerder dat deze informatie buiten de reikwijdte valt van de Wbp.
6 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.