ECLI:NL:RBDHA:2019:13929
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU wegens onvoldoende zorg- en opvoedingstaken en afhankelijkheidsverhouding
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), verwijzend naar het arrest Chavez-Vilchez, met het doel verblijf te verkrijgen bij zijn minderjarige zoon die de Nederlandse nationaliteit bezit.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de verzorgende ouder is, noch dat hij daadwerkelijk zorgtaken verricht of dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn Nederland te verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.
De rechtbank stelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken en van een sterke afhankelijkheidsrelatie met zijn zoon. Het feit dat het kind zijn vader mist en telefonisch contact heeft, is onvoldoende om een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro te rechtvaardigen.
Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar omdat geen twijfel bestond dat het bezwaar zou leiden tot een ander besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigt tevens dat tegen dergelijke uitspraken hoger beroep openstaat.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard.