ECLI:NL:RBDHA:2019:14043
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende zicht op uitzetting naar Marokko
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de voortzetting van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 19 augustus 2019 is opgelegd. Eiser betoogt dat onvoldoende zicht bestaat op zijn uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, mede vanwege het ontbreken van laissez-passers voor ongedocumenteerde vreemdelingen en het ontbreken van medewerking van Marokkaanse autoriteiten.
De rechtbank overweegt dat de maatregel tot 23 oktober 2019 rechtmatig was en beoordeelt nu de rechtmatigheid van de voortzetting daarna. Verweerder heeft met gegevens over de periode tot 31 mei 2019 voldoende onderbouwd dat het zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Hoewel eiser stelt dat hij niet gepresenteerd is en dat Marokko afspraken heeft geannuleerd, rust op hem de plicht tot actieve medewerking aan zijn uitzetting. De rechtbank acht onvoldoende bewezen dat eiser daaraan voldoet.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat de belangen van verweerder bij voortzetting van de bewaring zwaarder wegen dan die van eiser, mede omdat de bewaring nog geen zes maanden duurt en eiser geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.