ECLI:NL:RBDHA:2019:14146
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland en weigering verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden
Verzoekster, een Tunesische vrouw, heeft meerdere asielaanvragen in Nederland ingediend die niet in behandeling zijn genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Zij verzocht om een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden, welke werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan het mvv-vereiste en geen vrijstelling kon worden verleend.
Verzoekster stelde slachtoffer te zijn van huiselijk geweld in Tunesië en dat zij zich daar niet aan kan onttrekken, onderbouwd met een proces-verbaal en een traumarapport. Ook voerde zij aan dat terugkeer zou leiden tot uitgehuwelijking door haar familie. De rechtbank oordeelde echter dat deze stellingen onvoldoende objectief waren onderbouwd en dat de algemene situatie in Tunesië niet leidend is voor haar persoonlijke situatie.
De rechtbank achtte het niet aannemelijk dat verzoekster niet beschermd kan worden door Tunesische autoriteiten of hulporganisaties zoals het IOM. Tevens kon zij haar echtscheidingsprocedure in Duitsland afwachten. Het bezwaar tegen de overdracht had geen redelijke kans van slagen omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd die de rechtmatigheid van de overdracht in twijfel trokken.
Gelet op het spoedeisende karakter van de zaak wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding om op de bezwaren te beslissen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland en afwijzing verblijfsvergunning wordt afgewezen.