ECLI:NL:RVS:2008:BG5955
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsbescherming bij niet ambtshalve aanbod verblijfsvergunning onder Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet
De zaak betreft het hoger beroep tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter over het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud). De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod voor verlening van een verblijfsvergunning, maar dit bezwaar werd door de staatssecretaris niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter stelde het beroep van de vreemdeling in het gelijk en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De Raad van State overwoog dat het niet ambtshalve doen van een aanbod geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat het niet leidt tot een rechtsgevolg zoals wijziging van de verblijfsstatus. Echter, de Afdeling stelde vast dat het niet ambtshalve doen van een aanbod wel een rechtens relevante handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waardoor het onder het beschikkingsbegrip valt en bestuursrechterlijke toetsing mogelijk is.
De staatssecretaris stelde dat er geen adequate rechtsgang is omdat de vreemdeling via een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier of via rechtsmiddelen tegen uitzettingshandelingen zijn rechten kan doen gelden. De Afdeling oordeelde dat deze procedures niet leiden tot een gelijke rechtspositie als wanneer het aanbod ambtshalve was gedaan, mede door leges en het mvv-vereiste, en dat daarom het niet ambtshalve doen van een aanbod als een appellabele handeling moet worden beschouwd.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en veroordeelde de minister van Justitie tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het bezwaar van de vreemdeling wordt ontvankelijk verklaard.