Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende persoon, diende een verzoek in tot opheffing van een inreisverbod dat hem in 2014 was opgelegd op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij ernstige misdrijven als officier bij KhAD/WAD. Hij voerde aan dat hij geen actuele bedreiging voor de openbare orde vormt, dat hij geen toegang heeft tot alternatieve landen en dat het inreisverbod disproportioneel is gezien zijn langdurige verblijf en medische situatie.
De staatssecretaris handhaafde het inreisverbod, stellende dat eiser nog steeds een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor fundamentele maatschappelijke belangen. De rechtbank toetste dit aan de criteria uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU en concludeerde dat de staatssecretaris terecht rekening hield met de aard van de misdrijven, het gebrek aan berouw en de blijvende ontkenning van betrokkenheid door eiser.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat de belangenafweging niet leidde tot opheffing, mede doordat alle kinderen van eiser meerderjarig zijn en het betoog over afhankelijkheid onvoldoende onderbouwd was. De rechtbank vond voorts dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt die disproportionaliteit rechtvaardigt.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en kon eiser binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het handhaven van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.