Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2019 in de zaken tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Namens verweerder zijn [A] , [B] , [C] en [D] verschenen.
Overwegingen
Geschil5. In geschil is of de belastingrente over de jaren 2012 tot en met 2015 terecht en tot de juiste bedragen aan eiseres in rekening zijn gebracht. Daarnaast zijn de verzuimboeten in geschil. Niet in geschil zijn de gecorrigeerde bedragen aan te betalen omzetbelasting.
De aansluiting op het voor de omzetbelasting geldende regime van de belastingrente brengt voorts met zich mee dat rente niet langer automatisch wordt vergoed bij teruggaafbeschikkingen. Rente zal alleen nog worden vergoed in situaties waarin de inspecteur na de ontvangst van een verzoek om een teruggaaf langer dan 8 weken doet over het geven van een teruggaafbeschikking. In dat geval wordt rente vergoed vanaf het tijdvak dat aanvangt 8 weken na de ontvangst van het verzoek maar niet eerder dan 1 juli volgend op het bijdragejaar. Ten slotte volgt uit de aansluiting op de regeling belastingrente dat voor wat betreft de hoogte van de rente voortaan wordt aangesloten op het percentage van de wettelijke rente voor niet-handelstransacties.”
Uit het verslag van 30 september 2016 is de volgende tekst openbaar gemaakt: “De belastingrente blijft ons bezighouden. De Stas heeft op Kamervragen antwoorden gegeven; zie: http://Intranet.belastingdienst.nl/beeldkrant/2016/09/14/antwoorden-op-kamervragen-over-belastingrente/. Goed om deze te lezen. Uit de antwoorden blijkt de strakke interpretatie die we moeten hanteren. De regeling is bewust vormgegeven zoals hij is. De lijn die tot nu toe door de lavaco’s is uitgedragen: er wordt geen beleid gemaakt. Wel kan er in incidentele gevallen aanleiding zijn om de rente te matigen gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval (zoals situaties waarbij rente werd berekend over periode waarin het geld al bij de fiscus stond).”
Beslissing
mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.