ECLI:NL:RBDHA:2019:14461
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing ongewenstverklaring na strafrechtelijke veroordeling en toetsing aan fundamenteel belang samenleving
Eiser is in 2017 ongewenst verklaard vanwege een strafrechtelijke veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf wegens een overtreding van de Opiumwet. Hij verzocht in 2018 om opheffing van deze ongewenstverklaring, met het argument dat hij in Nederland zijn gezinsleven met zijn Nederlandse vrouw en kind wil voortzetten en dat het arrest Z. Zh. en I.O. vereist dat wordt getoetst of zijn gedrag nog een actuele en ernstige bedreiging vormt.
De staatssecretaris wees het verzoek af omdat nog geen vijf jaar waren verstreken sinds de ongewenstverklaring en omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd. Tevens stelde hij dat het arrest Z. Zh. en I.O. niet van toepassing zou zijn omdat het een nationale maatregel betreft.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft beoordeeld of het gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit is een vereiste op grond van het arrest Z. Zh. en I.O. en de Terugkeerrichtlijn. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.