In een internationale kinderontvoeringszaak tussen de vader woonachtig in de Verenigde Staten en de moeder woonachtig in Nederland, heeft de rechtbank Den Haag op 20 november 2019 een tussenbeschikking gegeven betreffende de voorlopige voogdij over de minderjarige. De vader had verzoeken ingediend tot teruggeleiding van het kind naar de Verenigde Staten, wijziging van voorlopige voorzieningen en vervangende toestemming voor reizen met het kind.
De rechtbank benoemde een bijzondere curator om de wensen en het welzijn van het kind te onderzoeken. Tijdens de zitting sprak de minderjarige met de kinderrechters in aanwezigheid van de curator. Vanwege een wrakingsverzoek van de moeder werd de inhoudelijke behandeling aangehouden.
De rechtbank oordeelde dat er voldoende zorgen waren over het welzijn van het kind en dat het gevaar bestond dat het kind zou worden onttrokken aan een teruggeleidingsbevel. Daarom werd de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering belast met de voorlopige voogdij over de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en verdere beslissingen zijn aangehouden.