Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr. C.E.B. Davis, griffier.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende persoon, diende op 27 september 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees het verzoek af op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Zwitserland als verantwoordelijke lidstaat was aangewezen volgens de Dublinverordening. Nederland had op 10 oktober 2018 een verzoek tot terugname aan Zwitserland gedaan, dat op 16 oktober 2018 werd aanvaard.
Eiser stelde dat Zwitserland onvoldoende opvang bood, geen adequate medische hulp verleende en geen gratis rechtsbijstand verstrekte, waardoor zijn rechten onder de Opvangrichtlijn en het EVRM werden geschonden. Tevens vreesde hij indirect refoulement vanwege een eerdere afwijzing in Zwitserland.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt of dat terugkeer tot een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro EU zou leiden. Het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand in Zwitserland was niet doorslaggevend, mede gelet op artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn. De vrees voor indirect refoulement werd weerlegd door garanties van Zwitserland om de asielaanvraag te behandelen. Medische klachten waren niet voldoende onderbouwd om behandeling in Nederland te rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter A.E. Dutrieux op 19 februari 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.