De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (JBW) om vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een reisdocument voor een minderjarige die onder toezicht is gesteld. De moeder weigerde mee te werken aan de aanvraag, terwijl het pleeggezin binnenkort op vakantie naar Spanje zou gaan. JBW verzocht tevens om toestemming voor een vakantie van de minderjarige met het pleeggezin.
De moeder voerde verweer dat de hechting van de minderjarige aan haar groot is en dat het niet in het belang van het kind is om voor een lange, onbekende periode mee te gaan op vakantie met het pleeggezin. Ook werd gesteld dat de informatie van JBW aan de rechtbank onjuist was over het terugkeerperspectief van het kind.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek om vervangende toestemming voor het reisdocument toewijsbaar was, omdat het in het belang van het kind is om over een geldig legitimatiebewijs te beschikken, onder meer voor medische zorg. Het verzoek om toestemming voor de vakantie met het pleeggezin werd afgewezen wegens onvoldoende concrete gegevens over reisdata, duur en bestemming. Tevens werd de onjuiste informatie van JBW aan de rechtbank meegewogen tegen toewijzing van het vakantieverzoek.
De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de overige verzoeken werden afgewezen.