ECLI:NL:PHR:2021:57
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot toestemming voor vakantie van minderjarige bij pleegouders bij ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
Deze prejudiciële procedure betreft de vraag wie de beslissingsbevoegdheid heeft over een vakantie of uitstapje van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst bij pleegouders. De gecertificeerde instelling verzocht toestemming voor een vakantie in het buitenland en stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de bevoegdheden van ouders, pleegouders en de gecertificeerde instelling.
De Hoge Raad analyseert de wettelijke kaders, waaronder het ouderlijk gezag, de rol van de gecertificeerde instelling, de positie van pleegouders en de kinderrechter. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vakanties binnen Nederland, die onder de zeggenschap van pleegouders vallen, en vakanties in het buitenland, die binnen de reikwijdte van de machtiging tot uithuisplaatsing van de gecertificeerde instelling vallen.
De Hoge Raad concludeert dat pleegouders geen toestemming van de ouders nodig hebben voor vakanties binnen Nederland, maar voor vakanties in het buitenland toestemming van de gecertificeerde instelling vereist is. Indien ouders weigeren, kan de geschillenregeling van artikel 1:262b BW worden ingeroepen. Daarnaast wordt besproken wanneer een machtiging tot uithuisplaatsing vereist is bij tijdelijke verblijven buiten het gezin, zoals weekendpleegzorg, en de verhouding tot eerder vastgestelde zorg- en omgangsregelingen.
Uitkomst: Pleegouders mogen binnen Nederland zelfstandig vakanties organiseren; voor buitenlandse vakanties is toestemming van de gecertificeerde instelling vereist, waarbij geschillen aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd.