Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand om de eerder toegekende vergoeding voor rechtsbijstand in te trekken in een zaak die voortkwam uit het einde van een relatie. De rechtbank oordeelde dat het geschil louter eigendomsrechtelijke aspecten betrof en dat geen aanvullende omstandigheden aanwezig waren die aansluiting bij personen- en familierecht (code P100) rechtvaardigden.
De rechtbank vond het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en gaf verweerder de gelegenheid dit te herstellen. Verweerder maakte geen gebruik van deze mogelijkheid en beriep zich op eerdere uitspraken ter rechtvaardiging van zijn standpunt. De rechtbank verwierp dit en bevestigde haar eerdere oordeel.
Gelet op het voorgaande verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Verzoek tot vergoeding van derving aan inkomsten werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.