ECLI:NL:RBDHA:2019:15144
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot wedertewerkstelling na opgeheven schorsing docent
De zaak betreft een kort geding aangespannen door een docent die sinds 1988 werkzaam is bij een onderwijsinstelling. Na gesprekken over zijn functioneren werd hij per 31 januari 2019 geschorst vanwege een lopend onderzoek naar zijn functioneren. De docent maakte bezwaar tegen de schorsing, maar deze werd bestendigd. Op 12 april 2019 liet de instelling weten de schorsing te willen opheffen.
De docent vorderde in kort geding wedertewerkstelling binnen 24 uur en een rectificatiebericht aan betrokkenen over de onterechte schorsing. Hij stelde dat de schorsing niet gerechtvaardigd was en dat hij vreest op een andere locatie te worden geplaatst. De onderwijsinstelling betwistte dit en stelde dat de schorsing inmiddels is opgeheven en dat de standplaats van een docent afhankelijk is van studentenaantallen.
De kantonrechter oordeelde dat nu de schorsing is opgeheven en er geen aanwijzingen zijn dat de docent op een andere locatie zal worden geplaatst, er geen spoedeisend belang is bij wedertewerkstelling. De vordering tot rectificatie kon niet worden toegewezen omdat daarvoor bewijslevering nodig is die in kort geding niet mogelijk is. De vorderingen werden afgewezen, maar de onderwijsinstelling werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen tot wedertewerkstelling en rectificatiebericht werden afgewezen omdat de schorsing was opgeheven en geen aanwijzingen bestonden voor plaatsing op een andere locatie.