De zaak betreft de onteigening van een onbebouwd perceel grasland in Harnaschpolder ten behoeve van een bedrijventerrein. De rechtbank bevestigt dat de waardering van het perceel moet worden gebaseerd op het geldende bestemmingsplan Harnaschpolder Zuid 2014, waarbij het perceel een bestemming als bedrijventerrein heeft. De primaire stelling van de gedaagde dat de bestemming geëlimineerd moet worden op grond van artikel 40c Ow wordt verworpen, mede omdat het bedrijvenschap niet als overheidswerk in de zin van de wet kan worden aangemerkt.
De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van een bestaand concreet plan dat de bestemming zou moeten bepalen en sluit zich aan bij de deskundigen die de complexwaarde van het perceel taxeren op €70.000. Wel is de rechtbank niet overtuigd door het oordeel van de deskundigen dat geen sprake is van planologisch nadeel of planschade. De gedaagde heeft aannemelijk gemaakt dat door het nieuwe bestemmingsplan zijn positie is verslechterd, mede doordat een eerder uitwerkingsplan met woonbestemming is vernietigd.
Daarom wordt besloten om een aanvullende deskundige te benoemen die zich zal uitlaten over het planologisch nadeel en de mogelijke planschade die in de schadeloosstelling moet worden meegenomen. De procedure wordt aangehouden tot het aanvullende advies is ontvangen, waarbij de kosten voor rekening van het bedrijvenschap komen.