De erfgenamen van mevrouw [X] betwistten navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2001 tot en met 2003, waarin vermogen op een UBS bankrekening in Zwitserland niet was opgegeven.
Verweerder stelde dat erflaatster in die jaren beschikte over vermogen op die rekening en maakte aannemelijk dat de correcties in de navorderingsaanslagen terecht waren vastgesteld. Eisers voerden aan dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet van toepassing was, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder met bewijsvermoeden aan zijn bewijslast had voldaan.
De rechtbank concludeerde dat het vermogen op de rekening niet in één jaar kon zijn opgebouwd gezien het lage inkomen van erflaatster en dat de omvang van het vermogen in 2004 substantieel was. De door verweerder gehanteerde correcties en het rendementspercentage van 5% werden als aannemelijk en redelijk beoordeeld.
De beroepen tegen de navorderingsaanslagen en de heffingsrente werden ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 26 februari 2019.