ECLI:NL:RBDHA:2019:1606

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 januari 2019
Publicatiedatum
25 februari 2019
Zaaknummer
AWB 18 / 4874
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 2 VwArt. 8 EVRMArt. 17 GezinsherenigingsrichtlijnArt. 3:2 AwbArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens verbroken gezinsband na huwelijk meerderjarig kind

Eiseres, een meerderjarige dochter met Iraanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij haar vader, die een verblijfsvergunning asiel heeft.

De staatssecretaris stelde dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar vader verbroken is omdat zij gehuwd was en de zorg draagt voor haar zoon uit dat huwelijk. Volgens het beleid wordt herstel van een verbroken gezinsband niet aangenomen. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich op dit standpunt kon stellen, mede omdat eiseres na haar scheiding weliswaar weer bij haar ouderlijk huis woont, maar dit geen herstel van de gezinsband betekent.

De rechtbank wijst ook het beroep af dat op grond van artikel 8 EVRM Pro een andere beoordeling zou moeten plaatsvinden, omdat de Vreemdelingenwet buiten artikel 29 lid 2 geen Pro grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning op die basis. Verder kan eiseres geen rechtstreeks beroep doen op artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ook is de hoorplicht niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 18/4874
V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 januari 2019 in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
mede namens haar minderjarige kind,
[naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] ,
gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juni 2018 (het bestreden besluit) waarbij de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor verblijf bij haar vader, [naam 3] (referent), is afgewezen.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.M.E. Schijvenaars, namens haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook waren referent en D. Madjlessi (tolk) op zitting aanwezig. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 3] en heeft de Iraanse nationaliteit en is de meerderjarige dochter van referent. Zij is gehuwd geweest van 12 december 2012 tot 12 juli 2016. Uit dit huwelijk is haar zoon geboren. Haar zoon heeft de Iraakse nationaliteit. Aan referent is op 16 december 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft op 22 februari 2017 onderhavige aanvraag ingediend voor eiseres en haar minderjarige zoon.
2. In het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen. De feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent is verbroken omdat zij gehuwd is geweest en de zorg draagt voor haar zoon die uit dit huwelijk is geboren. Wanneer de feitelijke gezinsband eenmaal als verbroken wordt beschouwd, wordt herstel van die gezinsband niet meer aangenomen.
De rechtbank overweegt als volgt.
3. De staatssecretaris heeft in paragraaf C2/4.1 van de Vc [1] vastgelegd hoe hij beoordeelt of een meerderjarig kind voldoet aan het vereiste van afhankelijkheid, opgenomen in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw [2] . Hij kijkt daarvoor naar de gezinssituatie ten tijde van de beoordeling van de aanvraag én de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de desbetreffende referent uit het land van herkomst of bestendig verblijf. Hij heeft hierbij zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij paragraaf B7/3.2.1 van de Vc.
4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [3] houdt de in dit beleid vereiste normale afhankelijkheidsrelatie tussen een meerderjarig kind en zijn ouders in dat zo’n kind toch nog feitelijk afhankelijk is van zijn ouders zolang het bij zijn ouders woont en zij het merendeel van de verzorging van het gezin en het huishouden op zich nemen. Ook al valt het kind juridisch niet meer onder de verantwoordelijkheid van zijn ouders en heeft het gelet op zijn leeftijd geen verzorging meer nodig. Als een meerderjarig kind de verzorgende rol van de ouders heeft overgenomen, bestaat dus geen normale afhankelijkheidsrelatie meer en is de feitelijke gezinsband verbroken. Als vervolgens de feitelijke situatie wijzigt, neemt de staatssecretaris geen herstel van de verbroken gezinsband aan [4] .
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent al was verbroken voordat referent Nederland in reisde. Eiseres is van 2012 tot medio 2016 getrouwd geweest, ze heeft een gezin gesticht en draagt de zorg voor haar zoon die uit dat huwelijk is geboren. De staatssecretaris heeft zich daarom onder verwijzing naar diens beleid op het standpunt kunnen stellen dat herstel van de feitelijke gezinsband niet meer wordt aangenomen. Dat zij na haar scheiding weer in haar ouderlijk huis is gaan wonen maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat niet verder wordt getoetst aan andere gronden zoals artikel 8 van Pro het EVRM [5] . De Vw biedt buiten artikel 29, tweede lid, van de Vw geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’, als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De beoordeling van de toepassing van artikel 8 van Pro het EVRM moet buiten genoemde bepalingen plaatsvinden in een procedure over de verlening van een verblijfsvergunning regulier. De grond slaagt daarom niet.
7. Eiseres heeft ook verwezen naar artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn [6] waaruit volgt dat de lidstaten bij de afwijzing, intrekking of niet verlengen van een verblijfstitel onder andere rekening moeten houden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon, en met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
8. De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vb [7] , het Vb is gewijzigd in verband met de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Stb. 2004, 496). De wijziging is in werking getreden op 1 november 2004. Volgens de transponeringstabel ligt de regel in artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn besloten in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiseres kan dan ook geen rechtstreeks beroep doen op artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn.
9. De rechtbank volgt eiseres niet in het aangevoerde dat de hoorplicht is geschonden. Van het horen van belanghebbenden kan onder meer worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is het geval als uit het bezwaarschrift zelf direct blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd. Gelet op wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd en de motivering van het primaire besluit heeft de staatssecretaris van het horen van eiseres mogen afzien.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2019.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Vreemdelingencirculaire 2000
2.Vreemdelingenwet 2000
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3067
5.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
6.Richtlijn 2003/86/EG
7.Vreemdelingenbesluit 2000