ECLI:NL:RBDHA:2019:1633
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrese vreemdeling wegens onvoldoende bewijs gezinsband
Eiser, een Eritrese vreemdeling, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als nareiziger van zijn echtgenote (referente). Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser geen geldige identificerende documenten kon overleggen en de feitelijke gezinsband niet aannemelijk was gemaakt. Verweerder baseerde dit op tegenstrijdige verklaringen van eiser en referente over essentiële feiten zoals geboortedatum, datum eerste ontmoeting, huwelijksdatum, verblijfplaats en andere relevante omstandigheden.
Eiser voerde aan dat hij geen identiteitsbewijs kon tonen omdat dit was ingenomen door autoriteiten bij zijn poging Eritrea te verlaten en dat hij als deserteur geen nieuw bewijs kon aanvragen. Hij ontkende tegenstrijdige verklaringen te hebben afgelegd en stelde dat verweerder ten onrechte bewijsnood aannam en hem niet heeft gehoord in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat verweerder conform het nieuwe beleid voldoende aanvullend onderzoek had aangeboden en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank stelde vast dat de tegenstrijdigheden in verklaringen substantieel waren en dat verweerder terecht het bestaan van het huwelijk niet aannam. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.