Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Somalische nationaliteit. Referente stelt haar moeder te zijn. Aan referente is op 20 december 2007 een asielvergunning verleend. Vervolgens heeft zij binnen drie maanden een mvv aangevraagd ten behoeve van eiseres. Op dat moment was eiseres minderjarig. Vanwege omstandigheden buiten de schuld van eiseres kon deze aanvraag destijds niet in behandeling worden genomen. Eiseres was op dat moment namelijk ontvoerd.
2. In 2009 heeft eiseres aan haar ontvoerder kunnen ontsnappen en is ten behoeve van haar een opvolgende aanvraag ingediend. Die aanvraag is op 30 september 2010 afgewezen.
3. Op 13 januari 2015 is er opnieuw een opvolgende aanvraag ingediend met een beroep op nieuwe jurisprudentie en gewijzigd beleid. Deze aanvraag is op 20 oktober 2016 afgewezen.
4. Bij uitspraak van 13 april 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:4213) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiseres ingestelde beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder, gelet op diens beleid zoals neergelegd in C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, bij de vaststelling dat eiseres zelfstandig woonde ten onrechte geen acht had geslagen op het vereiste van het voorzien in eigen onderhoud, terwijl eiseres had onderbouwd dat zij financieel afhankelijk was van referente. 5. Het daartegen door verweerder ingestelde hoger beroep is ongegrond verklaard met toepassing van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 februari 2018 met zaaknummer 201702817/1/V1.
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder alsnog gevolg gegeven aan de opdracht om opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. Anders dan voorheen, stelt verweerder zich nu op het standpunt dat eiseres in geen geval in aanmerking kan komen voor een mvv in het kader van nareis, omdat referente ten tijde van de laatste aanvraag van 13 januari 2015 niet meer in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
7. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
8. Eiseres voert aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat het voor haar niet voorzienbaar is geweest dat verweerder hangende haar procedure artikel 29, tweede lid, van de Vw zo zou gaan interpreteren dat slechts houders van asielvergunningen voor bepaalde tijd onder het toepassingsbereik van dit artikellid vallen.
9. De rechtbank heeft verweerder naar aanleiding van deze beroepsgrond de vraag voorgelegd hoe deze handelwijze zich verhoudt tot het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is neergelegd dat het bestuursorgaan heroverweging uitvoert op grondslag van het bezwaar. In reactie daarop stelt verweerder zich in het aanvullend verweerschrift op het standpunt dat door het introduceren van een nieuwe afwijzingsgrond niet buiten de grenzen van de heroverweging wordt getreden, temeer daar in dit geval niets anders wordt gedaan dan het handhaven van de afwijzing.
10. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling waarop in het aanvullend verweerschrift is gewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2483) kan worden afgeleid dat het introduceren van een nieuwe weigeringsgrond in bezwaar is toegestaan zolang dit niet leidt tot een verslechtering van de rechtspositie van de betrokkene en gelegenheid is geboden om daarover te worden gehoord. In het geval van eiseres is inderdaad geen sprake van een verslechtering van rechtspositie, omdat bij het primaire besluit ook al was geweigerd om aan haar een mvv te verlenen. Ook heeft verweerder haar in de gelegenheid gesteld over de nieuwe weigeringsgrond te worden gehoord, maar daarop heeft zij niet instemmend geantwoord. Verweerder heeft daarnaast gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:120), waaruit blijkt dat het is toegestaan om in bezwaar een reeds tegengeworpen weigeringsgrond nader te motiveren met nieuwe argumenten, en waaruit niet kan worden afgeleid dat het tegenwerpen van een nieuwe weigeringsgrond in geen geval zou zijn toegestaan. Gelet hierop kan geen sprake zijn van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. 11. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel kan evenmin slagen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is daarvoor vereist dat er een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, dan wel een persoon waarvan de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:346). Een dergelijke situatie heeft zich in het geval van eiseres echter niet voorgedaan. Artikel 29, tweede lid, van de Vw
12. Eiseres voert vervolgens aan dat verweerder ten onrechte artikel 29, tweede lid, van de Vw zodanig interpreteert dat slechts houders van een asielvergunning voor bepaalde tijd een mvv in het kader van nareis kunnen aanvragen.
13. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gemotiveerd door te wijzen op de redactie van dit artikellid. De rechtbank begrijpt dat verweerder doelt op de zinssnede ‘de in het eerste lid bedoelde vreemdeling’. In artikel 29, eerste lid, van de Vw wordt omschreven aan welke vreemdelingen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat het doel van het nareisbeleid van de Nederlandse regering is: het herenigen van gezinsleden die tijdelijk door een vluchtsituatie van elkaar zijn gescheiden. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze interpretatie niet in beleidsregels heeft neergelegd. De rechtbank neemt aan dat verweerder hiertoe geen noodzaak heeft gezien omdat hij deze interpretatie rechtstreeks stelt af te leiden uit de wettekst.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat enkel houders van een asielvergunning voor bepaalde tijd onder het bereik van artikel 29, tweede lid, van de Vw vallen.
15. Daartoe acht de rechtbank in de eerste plaats redengevend dat verweerder bij zijn interpretatie miskent wat het peilmoment is waarop dient te worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor verlening van een mvv in het kader van nareis wordt voldaan. Dit is niet het moment van de aanvraag van 13 januari 2015, maar het moment van binnenkomst van referente in Nederland. Niet in geschil is dat referente toen nog niet in het bezit was van een asielvergunning voor onbepaalde tijd.
16. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de interpretatie van verweerder in strijd is met het doel en het nuttig effect van de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn). Eiseres heeft in dit verband terecht gewezen op onderdeel 4.6 van de richtsnoeren van de Europese Commissie voor de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn (COM 2014, 210), waarin is neergelegd dat de aanspraak van de gezinshereniger op hereniging met zijn gezinsleden sterker wordt naarmate hij een duurzamer verblijfsrecht verkrijgt.
17. De rechtbank weegt nog mee dat verweerder bij de toepassing van deze interpretatie in het concrete geval van eiseres geen aandacht heeft besteed aan de redenen waarom de aanvraag is gedaan op een moment dat referente reeds in het bezit was een asielvergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft immers nooit betwist dat eiseres vanwege een oorzaak buiten haar schuld om, te weten haar ontvoering, gedurende lange tijd niet beschikbaar was voor de mvv-procedure.
18. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en dient te worden vernietigd.
19. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien. Gelet op het volgende ziet de rechtbank aanleiding om daaraan gevolg te geven. Uit het voorgaande is gebleken dat de verweerders interpretatie van artikel 29, tweede lid, van de Vw onjuist is. Dit is de enige tegengeworpen afwijzingsgrond en die ontvalt vanwege de gegrondverklaring aan het bestreden besluit. Daar komt bij dat het bestreden besluit moest worden genomen naar aanleiding van een eerdere vernietiging, zodat kan worden vastgesteld dat verweerder een eerder geboden kans om een gebrekkig besluit jegens eiseres te repareren heeft verspeeld. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat deze procedure nu al erg lang duurt, deels vanwege omstandigheden buiten de schuld van eiseres en deels vanwege gebrekkig handelen door verweerder. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het primaire besluit herroepen en bepalen dat verweerder aan eiseres binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een mvv in het kader van nareis zal verlenen.
20. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024,- bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting ter waarde van € 512,- per punt en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1. Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,- vergoeden.