ECLI:NL:RBDHA:2019:1898
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en gezinsband
Eisers, afkomstig uit Congo en met een aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, stelden hun identiteit en gezinsband met de referent, die als pleegvader wordt opgevoerd, niet aannemelijk te hebben gemaakt. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het bezwaar tegen de afwijzing van hun aanvraag af, waarna eisers beroep instelden tegen het niet tijdig beslissen en tegen het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat eisers geen belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling daarvan. Vervolgens werd het bezwaar tegen het bestreden besluit inhoudelijk beoordeeld. Volgens artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een verblijfsvergunning worden verleend aan gezinsleden die op het moment van binnenkomst tot het gezin behoorden en binnen drie maanden zijn nagereisd.
Eisers konden geen officiële documenten overleggen die hun identiteit en gezinsband aannemelijk maakten. De enkele stelling dat zij documenten verloren tijdens hun vlucht werd onvoldoende geacht. Ook de overgelegde vluchtelingenpassen en UNHCR-registraties werden niet als voldoende bewijs erkend. Hierdoor kon de staatssecretaris terecht concluderen dat eisers hun identiteit en gezinsband niet aannemelijk hadden gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en gezinsband.