ECLI:NL:RBDHA:2019:1916
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen weigering machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteit en gezinsband
Eiser, een Eritrese minderjarige, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis als pleegkind van een referent met een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser zijn identiteit en gezinsband niet aannemelijk had gemaakt. Eiser maakte bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard zonder hoorzitting.
Tijdens de zitting bleek dat eiser momenteel vermist wordt. De rechtbank oordeelde dat dit het procesbelang niet wegneemt, mede omdat het beroep mede namens de referent is ingediend die belang heeft bij duidelijkheid. Juridisch moest eiser zijn identiteit en familierelatie aantonen met officiële documenten of anders aantonen dat dit niet aan hem te wijten was (bewijsnood).
Eiser overhandigde slechts een kopie van de identiteitskaart van zijn vermeende moeder, wat onvoldoende substantieel bewijs vormde. Verweerder handelde volgens de nieuwe gedragslijn door geen nader onderzoek te verrichten, omdat geen bewijsnood werd vastgesteld. Het beroep op kinderrechten en Europese richtlijnen faalde omdat de identiteit niet aannemelijk was gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor verlening van een mvv en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en gezinsband.