ECLI:NL:RBDHA:2019:1996
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsvergunning asiel wegens interstatelijk vertrouwensbeginsel Griekenland
Eiseres, een Nigeriaanse burger, diende op 13 december 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat uit het Eurodac-systeem bleek dat Griekenland haar reeds internationale bescherming had verleend op 18 november 2017.
Eiseres betoogde dat de situatie in Griekenland ernstig tekortschiet, met name voor kwetsbare groepen zoals zijzelf en haar minderjarige kind, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing zou zijn. Zij verwees naar haar persoonlijke omstandigheden, waaronder verkrachting, mishandeling en bedreiging in Griekenland, alsmede signalen van mensenhandel.
De rechtbank oordeelde dat de algemene situatie in Griekenland weliswaar moeilijk is, maar niet zodanig dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro. Ook concludeerde de rechtbank dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen toegang heeft tot opvang of voorzieningen in Griekenland, en dat het aan haar is om bescherming te zoeken bij de Griekse autoriteiten. Het aangiftetraject mensenhandel was niet relevant voor de afwijzingsgrond.
Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.