ECLI:NL:RBDHA:2019:2398
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot moratorium en schuldsaneringsregeling afgewezen wegens ontbreken minnelijk traject
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b van de Faillissementswet, gericht op het voorkomen van de ontruiming van haar woning. Tevens heeft zij een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend.
De rechtbank oordeelt dat voor het toekennen van een moratorium vereist is dat het minnelijk traject is aangevangen, aansluitend op een stabilisatiefase waarin de financiële situatie van verzoekster wordt gestabiliseerd. Uit het dossier blijkt echter dat niet is aangetoond dat deze stabilisatiefase is doorlopen of dat het minnelijk traject is gestart. Tegenstrijdige gegevens over budgetbeheer en het ontbreken van een ondertekende stabilisatieovereenkomst ondersteunen dit oordeel.
Daarom is verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek tot het moratorium. Ook het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de vereiste verklaring dat buitengerechtelijke schuldregeling niet mogelijk is. De rechtbank ziet geen reden om een aanvullende termijn te gunnen en verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in beide verzoeken.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken tot moratorium en schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een gestart minnelijk traject.