ECLI:NL:RBDHA:2019:2665
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en onrechtmatige woonsituatie
Eiser ontving vanaf 1 mei 2014 een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Na een huisbezoek in juli 2017, waarbij aanwijzingen waren dat eiser niet op het opgegeven adres woonde en dat vanuit zijn woning prostitutiewerkzaamheden werden verricht, startte verweerder een onderzoek. Hierbij kwam onder meer aan het licht dat eiser een BMW had aangeschaft op 16 september 2015, zonder de financiering daarvan inzichtelijk te maken.
Verweerder trok de bijstandsuitkering met ingang van 16 september 2015 in en vorderde € 26.132,51 terug wegens onverschuldigde betalingen. Eiser voerde aan dat hij de BMW gebruikte voor zijn zieke kinderen en dat eerdere onderzoeken geen gevolgen hadden gehad. Ook stelde hij dat hij geen weet had van de prostitutiewerkzaamheden en dat het huisbezoek onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden hoe hij de BMW financierde en dat dit van invloed was op zijn recht op bijstand. De verklaring van eiser over het gebruik van de BMW was onvoldoende om de beschikking over het voertuig te ontkennen. De subsidiaire bezwaren over de prostitutiewerkzaamheden en het huisbezoek behoefden geen bespreking meer omdat de primaire grondslag standhield.
Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering vanaf 16 september 2015 wordt gehandhaafd.