ECLI:NL:RBDHA:2019:2765
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens onvoldoende identiteit en familieband
Eiseres, afkomstig uit Eritrea, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eiseres haar identiteit en de familierechtelijke band met de referent niet aannemelijk had gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen officiële documenten had overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit en dat de enkele verklaring over het verlies van haar Eritrese identiteitskaart onvoldoende was om bewijsnood aan te nemen. Het overgelegde Soedanese verblijfsdocument werd niet als substantieel bewijs beschouwd omdat het niet afkomstig was van de Eritrese autoriteiten en de herkomst niet was toegelicht.
Ook kon de rechtbank de familieband niet beoordelen omdat de identiteit van eiseres niet was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en familieband.