ECLI:NL:RBDHA:2019:2813

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2019
Publicatiedatum
21 maart 2019
Zaaknummer
C/09/563476 / HA ZA 18-1174
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1022 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident over toepasselijkheid arbitragebeding bij pandhouder

In deze civiele bodemzaak vordert Nina Holding B.V. en Coastal Trust 2 betaling van een vordering van de failliete vennootschap Prominent Daken B.V. jegens [BV I], waarop zij stellen pandrecht te hebben verkregen. [BV I] stelt zich onbevoegd door een arbitragebeding in haar algemene voorwaarden te beroepen en verzoekt de rechtbank zich onbevoegd te verklaren.

De rechtbank oordeelt dat artikel 1022 lid 1 Rv Pro alleen ziet op geschillen tussen partijen die een arbitrageovereenkomst zijn aangegaan. Omdat Nina c.s. als pandhouders geen partij zijn bij de overeenkomst tussen Prominent Daken en [BV I], kunnen zij zich niet binden aan het arbitragebeding dat tussen die partijen geldt.

Het door [BV I] ingeroepen arbitragebeding kan niet worden ingeroepen tegen Nina c.s. als pandhouders, omdat zij geen invloed hebben gehad op het sluiten van dat beding en geen partij zijn bij de overeenkomst. De rechtbank wijst de incidentele vordering van [BV I] af en houdt de beslissing over proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af en verklaart zich bevoegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/563476 / HA ZA 18-1174
Vonnis in incident van 27 maart 2019
in de zaak van

1.NINA HOLDING B.V., te Kwintsheul, gemeente Westland,

de trust naar het recht van Massachusetts, Verenigde Staten van Amerika,
2.
COASTAL TRUST, te Lexington, Massachusetts, Verenigde Staten van Amerika,
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat mr. I.C.M.C. Henriquez-van de Wetering te Oud-Beijerland,
tegen
[BV I], te [plaats], gemeente [gemeente],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. Chr. Groenewoud te Rotterdam.
Partijen zullen hierna afzonderlijk Nina, Coastal en [BV I] genoemd worden. Met Nina c.s. worden hierna Nina en Coastal gezamenlijk aangeduid.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 13 november 2018, met producties;
  • de conclusie houdende exceptief verweer strekkende tot onbevoegdheid, met producties;
  • de antwoordconclusie in het bevoegdheidsincident, met één productie.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
In de hoofdzaak vordert Nina c.s. betaling van (in hoofdsom) € 23.354,93 ter voldoening van een vordering van de - in staat van faillissement verklaarde - vennootschap Prominent Daken B.V. (hierna: Prominent Daken) jegens [BV I], op welke vordering Nina c.s. stelt pandrecht te hebben verkregen.
2.2.
[BV I] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij beroept zich hiertoe op het arbitragebeding in artikel 21 van Pro haar algemene voorwaarden, die volgens [BV I] van toepassing zijn op de overeenkomst tussen haar en Prominent Daken. [BV I] verwijst op dit punt naar de schriftelijke overeenkomst van 12 mei 2017 (haar productie 1).
2.3.
Nina c.s. voert verweer door – kort gezegd – aan te voeren dat de algemene voorwaarden van Prominent Daken, die geen arbitragebeding bevatten, van toepassing zijn op de overeenkomst tussen [BV I] en Prominent Daken.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.5.
Artikel 1022 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd moet verklaren, indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van die overeenkomst beroept, tenzij die overeenkomst ongeldig is.
2.6.
Deze bepaling ziet alleen op het geval dat tussen de procederende partijen een arbitraal beding van toepassing is. Verg. HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7391. Nina c.s. winnen als gesteld pandhouders een door Prominent Daken verpande vordering op [BV I] uit. Het door [BV I] ingeroepen arbitraal beding maakt geen deel uit van een overeenkomst waarbij Nina c.s. partij zijn of waarop zij als rechtsopvolgers een beroep kunnen doen. Anders dan een partij die een arbitraal beding is overeengekomen, hebben Nina c.s. als gesteld pandhouders geen invloed gehad/kunnen hebben op de vraag of dat beding werd overeengekomen met [BV I]. Zij hebben evenmin, gelijk een cessionaris kan doen bij beantwoording van de vraag of hij in de rechten van een ander zal treden, een afweging kunnen maken over de vraag of zij een eventueel geschil met [BV I] uit hoofde van de overeenkomst met Prominent Daken aan arbitrage wensen te onderwerpen.
2.7.
[BV I] kan zich dus niet op grond van artikel 1022 lid 1 Rv Pro jegens Nina c.s. beroepen op het volgens haar met Prominent Daken overeengekomen arbitraal beding. Dit reeds staat in de weg aan toewijzing van de incidentele vordering. Het geschil over de vraag of het door [BV I] ingeroepen arbitraal beding al dan niet deel uitmaakt van de overeenkomst tussen Prominent Daken en [BV I], kan onbesproken blijven.
2.8.
De beslissing over de proceskosten in het incident wordt aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de incidentele vordering af;
3.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
3.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 mei 2019 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.